Editie 2016

Uitslag 2016

De 9e editie van Amsterdam-Parijs was weer een groot succes.

Het dames record werd verbroken door Leontine Groeneveld en Francina Dekker (SKITS), De Thalys en de Sprinter, met een tijd van 21:32 uur. De snelste tijd dit jaar werd geleden door de Jelle Wijnja en Tjeerd Ytsma (ELS), De Utrechtse Elsjes. Ongelofelijk maar waar dit team stond om 3:43 bij de finish en hebben dus een tijd gelijk aan de recordtijd van 15:43 uit  2014 (Gijs Beets en Martijn Veiling).
Het record is dus nog niet verbroken, dus wie gaat de uitdaging tijdens komende jubileum editie aan?

1. Utrechtse Elsjes - 15:43
2. Brekken en angoan op de TrekkerTrek - 17:54
3. Het gaat niet, bestaat niet - 18:17
4. Sur le Grand Moulin à café - 18:30
5. De Thalys en de Sprinter - 21:32
6. Ridders van de schijfrem - 21:40
7. Team Niecks - 22:26
8. C'est La Viets - 24:06
9. De Versnelling van Telling - 24:18
10. Silque et War: Paris is still far - 27:09
11. Amsterdam en Rotterdam United - 27:15
12. Team Emma - 27:26
13. Perry for Sail - 29:46
14. Team 23.5 - 33:25
15. Team Soesterberg - 34:03
16. Zwollywood - 36:28
17. Oui, oui La vache qui rit - 37.11

Buiten Mededinging:
- Cas en Tim (Tim moest helaas al vroeg afstappen vanwege een knieblessure, de volgers Joey en Christine hebben toen allebei een deel met Cas meegefietst)  - 23:28
- Team Tiramisu (Thomas moest helaas afstappen en is alleen Thijs gefinisht) - 29:59
- Op de trekhaak (Thomas moest helaas afstappen en alleen Bob gefinisht) - 35:28

Finishfoto's

1. Utrechtse Elsjes - 15:43

2. Brekken en angoan op de TrekkerTrek - 17:54

3. Het gaat niet, bestaat niet - 18:17

4. Sur le Grand Moulin à café - 18:30

5. De Thalys en de Sprinter - 21:32  (DAMES RECORD!)

6. Ridders van de schijfrem - 21:40

7. Team Niecks - 22:26

8. C'est La Viets - 24:06

9. De Versnelling van Telling - 24:18

10. Silque et War: Paris is still far - 27:09

11. Amsterdam en Rotterdam United - 27:15

12. Team Emma - 27:26

13. Perry for Sail - 29:46

14. Team 23.5 - 33:25

15. Team Soesterberg - 34:03

16. Zwollywood - 36:28

17. Oui, oui La vache qui rit - 37.11

Buiten Mededinging:
- Cas en Tim (Tim moest helaas al vroeg afstappen vanwege een knieblessure, de volgers Joey en Christine hebben toen allebei een deel met Cas meegefietst)  - 23:28

- Team Tiramisu (Thomas moest helaas afstappen en is alleen Thijs gefinisht) - 29:59

- Op de trekhaak (Thomas moest helaas afstappen en alleen Bob gefinisht) - 35:28

Verslagen

Team Niecks (Nick en Niek)

Team Emma (Emma en Emma)

Gewapend met o.a. genoeg eten om een dorp in Afrika te voeden (we wilden niet dat onze volslanke heupen zouden afnemen in omvang), een arsenaal reservemateriaal waar de gemiddelde fietsenmaker jaloers op zou zijn, 9 setjes fietskleding, snoetenpoetsers, picknickkleedjes, een mechanicien en een fysiotherapeute met een guilty pleasure voor door een megafoon praten, vertrokken wij naar het startpunt. Je begrijpt dat je door de ramen van onze bolide (Peugeot 205) niet meer naar binnen kon kijken. Na 100 spanningsplasjes konden we van start. Helaas bleek dat door een oranje zonnebril een roze weg lastig te onderscheiden was van het rode lijntje wat gevolgd moest worden, waardoor we een aantal keer 2 keer hetzelfde punt moesten passeren. De eerste 200 km werden voorspoedig afgelegd met af en toe een stop met appeltaart, pannenkoeken, pastasalade en een rave party. Daarna kwam het punt waarop Emma bij elke hap die ze nam het gevoel had dat ze moest kotsen, welk gevoel de rest van de tocht (ondanks pogingen om een vinger in de keel te steken) niet meer weg ging. Bij het licht worden kwam het punt dat Emma probeerde een uiltje te knappen op de fiets (onsuccesvol), de oplossing was snel gevonden in een powernap van ongeveer 60 seconden en het zingen van een album van Jan Smit. De laatste 100 km schuifelden voorbij, het gemiddelde zakte onder de 20 km/h, geen mars die ons nog harder deed fietsen en zelfs Jan Smit was zijn krachten verloren. Tot we nog 30 km moesten, met een ‘Diep in je hart wil je ook een Emma zijn’ op de achtergrond, begaven we ons vol goede moed aan het laatste stuk van de tocht. Deze moed zakte ons ongeveer 3,27 min later in de schoenen toen de Garmin van Emma uitviel. En toen ook de telefoon van Emma. En de powerbank. Welke ook niet meer opgeladen kon worden omdat de autolader het niet deed. Maar, een slimme meid is op alles voorbereid, dus daar kwamen de papieren kaartjes, maar op een gegeven moment raakten we toch de D29 kwijt en hebben vervolgens zo’n 20 Fransosen om de weg gevraagd. ‘Hotel des Invalides? C’est trop loin de ici en bicyclette’. Meer dan 499 km? Nee dat dacht ik ook niet, kippeneindje dus. Uiteindelijk zijn we door een roekeloze zondagsfietser (stoplicht? groen = rijden; oranje = rijden; rood = rijden) van place de Clichy naar onze eindbestemming geëscorteerd. Althans dat dachten we, want waaaar zijn die Skitsers nou? En hoe bereik je die zonder telefoon? Achja, ze zullen vast wel komen. Ooit. Dus schoentjes uit, helmpje af, beentjes gestrekt en chillen maar. Toen er bijna een uur was verstreken zijn we toch maar mensen gaan vragen of we hun telefoon mochten lenen. In de ogen van de Amerikaan zagen deze bezwete lange wezens eruit als het kwaad, dus was hun ‘beltegoed’ op. Maar zo vriendelijk als de fransozen ons eerder hadden geholpen, zo hielpen ze ons nu weer uit de brand. En konden we een belletje plegen naar onze bezorgde volgers (jaja altijd het nr. van je volger op een papiertje schrijven) en haar geruststellen dat we ons niet al 4uur lang op de parkeerplaats van een ziekenhuis bevonden. En kon zij ons vertellen dat we aan de ándere kant van het gebouw onthaald zouden worden met champagne. Toen op de terugweg de giraffebenen van de twee fietsters ook nog eens in de auto moesten, waren er hogere tetriskrachten voor nodig om alles erin te stouwen. Uiteindelijk was het met de kniëen in je oren 5uur lang opgevouwen zitten in een koekblik misschien nog wel de zwaarste etappe van het hele avontuur.

Utrechtse Elsjes (Tjeerd en Jelle)

Op de fiets, in 16 uur  (Door Tjeerd) 
Elk jaar organiseert Schaatsvereniging SKITS op een van de langste dagen van het jaar een fietstocht van Amsterdam naar Parijs. Sommige van de deelnemende koppels doen dat op hun gemak, anderen zo snel als ze kunnen. Wij gingen voor het laatste, maar hoe snel dat kon ontdekte we pas onderweg.
Amsterdam-Parijs 2016 (AmPa) begint voor ons als we in augustus 2015 over de Lekdijk terug naar Utrecht rijden. Jelle vraagt of wij niet eens samen naar Parijs moeten fietsen. Een mogelijkheid die in onze studietijd in Delft al af en toe voorbij is gekomen, maar waarvoor ons enthousiasme nu ineens wordt aangewakkerd door de deelnames van onze schaats- en fietsvrienden in Utrecht. We zijn beiden van de lange adem en weten elkaar vaak te vinden om even lekker door te trekken op het laatste deel van de Hoogstraat, tijdens een mooie voorjaarsklassieker, of zoals nu een kletsrondje dat zonder al te veel moeite eindigt in een gemiddelde van boven de 32. Het wordt niet expliciet uitgesproken, maar op die dijk staat vast dat er in ieder geval nog een jaar serieus gefietst gaat worden.
Wanneer je als behoorlijke perfectionist een jaar van te voren bedenkt dat je iets gaat doen dan kun je zonder echt je best te doen toch veel voorbereiden. Iedereen met AmPa ervaring in mijn omgeving heb ik met vragen bestookt. Ook helpt het als je fanatieke fietsvrienden hebt die ook mee doen en niet voor een paar kilometertjes terugdeinzen: tot halverwege België had ik de route inmiddels al twee (12) keer gereden.
Gebaseerd op onder andere de individuele ritjes naar mijn ouders in Frieslanden Jelle zijn ervaring met de Tour de Kans vorig jaar bedenken we een mogelijke eindtijd: tussen de 16 en 17 uur zou moeten kunnen. Als we echter ontdekken wat eerdere deelnemers hebben gereden nemen we aan dat we iets over het hoofd zien bij zo’n onbekende afstand en stellen onze verwachtingen bij: onder de 20 uur zijn we tevreden.
Dichter naar de start wordt de aandrang om de plannen concreter te maken groter. Er moet besloten worden hoe we gaan navigeren. Ik doe wat updates aan mijn navigatie app voor de Pebble, die ik vorig jaar heb geklust. Zo werkt hij weer vlekkeloos en is het scherm nog wat duidelijker af te lezen. Wanneer we goed rijden en de route geen onverwachte blokkades bevat gaat dit werken. Als aanvulling heeft Jelle zijn telefoon met kaart en route op het stuur.
Ook besteed ik wat nachtelijke uurtjes aan het vergelijken van routes. De Strava-flybys van eerdere jaren zijn een verslavende bron van informatie die naast hulp bij de kortste route ook veel inzicht verschaffen in strategische keuzes. Nemen we de pont bij Jaarsveld of de brug bij Vianen, loont het om dedrukte van Antwerpen te omzeilen? Uiteindelijk kiezen we bijna overal voor de kortst mogelijke verharde wegen die we kunnen vinden: 486km. Een kasseienstrook is verhard en volgens Jelle ook een epische grensovergang, dus daar zullen we Frankrijk betreden.
Een week van te voren worden alle ervaringen die we in de ‘fietsgangen’ hebben opgedaan, aangevuld met onze eigen ideeën, nog even definitief vastgelegd in een draaiboek en praktisch getoetst in een kortverkenningsrondje naar Gorinchem. Omdat we nog steeds niet goed weten wat we er nou echt van moeten verwachten bevat dat draaiboek tijdschema’s, bijpassende stops en hoeveelheden eten en drinken voor snelheden van 20–35 km/uur.
Een week later staan we met nieuwe bandjes en ketting, navigatie met extra batterij, luide bel en hartslagmeter aan de start. Op de voorste rij. Om mooi op de foto te komen volgens Jelle. Volgens mij ook tekenend voor onze onbewuste drang naar perfectie.
Na de start rijden we slechts enkele bochten waarna het gelijk al rechtdoor langs het kanaal gaat. We proberen een lekker tempo te vinden en wisselen af en toe kop met de gebroeders Lamers, steeds op gepaste afstand voor een tijdrit. Bij Breukelen splitsen onze wegen. Zij op weg naar de pont bij Jaarsveld en wij naar de brug bij Vianen.
Als we bij Nieuwegein in de verte net de brug dicht zien gaan denk ik direct aan hoe ik daar een keer fout ben gereden en iets verder op een loopbruggetje stuitte. Al rijdend leg ik mijn plan aan Jelle voor die direct akkoord gaat. Enigszins zenuwachtig doorkruis ik de rij met auto’s en sla links de eerste doodlopende weg in. Even blijft het spannend, zitten we goed? Dan draait de weg en zien we het trapje omhoog. Fiets in de hand, omhoog, omlaag en we rijden weer. In de kilometers daarna blijkt een wegopbreking van een week eerder weer grotendeels open en omzeilen we dankzij de verkenning ook nog twee stoplichten in Vianen. Dat voelt lekker, de bekende omgeving van Utrecht zijn we soepel doorgekomen.
Plan is om tot ongeveer de helft zoveel mogelijk energie te sparen en dan te kijken hoe het ervoor staat. Een tactiek die zich voor mij in het verleden vaker heeft bewezen wanneer ik mij aan onbekende afstanden begaf. Sparen doe ik tot nu toe vooral op kop. Met wind uit het westen/zuid-westen lukt het me maar af en toe om bij Jelle in het wiel mijn hartslag omlaag te krijgen. Een heggetje langs de snelweg na Gorinchem biedt eindelijk dat beetje gewenste luwte dat ik in het wiel nog niet kan vinden. Op dat moment vraag ik mezelf ook af of ik nog betere routekeuzes had kunnen maken als ik op Street View op dit soort details had gelet.
Een paar kilometer later help ik Jelle, na een bekentenis op de vorige brug, herinneren dat hij niet weer te hard omhoog vliegt. Aan de overkant zien we Rieneke met de GoPro staan. Honderd meter later zijn we bij de auto en krijgen we van Laura onze etenszakjes. Nog lang niet al ons eten en drinken is op, maar we proppen zoveel mogelijk in de achterzak. Er moet nou eenmaal veel gegeten worden. Drie en een halve minuut later zitten we weer op de fiets. De hoeveelheid eten in onze zakjes blijkt toch wat veel als ik al snel mijn eierkoeken verlies.
Op de weg naar Breda zijn er wat meer stoplichten dan ik had verwacht. Als het nodig is wachtten we, maar als het even kan minderen we alleen wat snelheid, nemen de tijd om snel de situatie in te schatten en rijden door. Zo nu en dan polsen we bij elkaar of we ons er nog veilig bij voelen. Zo komen we de eerste grote stad goed door. Even later moeten we op het fietspad in een van de dorpjes op weg naar België tot nul in de remmen als een rechts afslaande auto ons over het hoofd ziet. Even schrikken, maar na een snelle evaluatie ook een bevestiging dat we waar nodig onze snelheid voldoende aanpassen om risicovolle situaties op te vangen.
Antwerpen is als altijd druk en één grote bouwput. Dankzij mijn eerdere tochten weet ik dat hier niet te voorkomen valt dat we af en toe moeten stoppen. Mede daarom voelt elk groen licht als een prijsje. Hier is onze route niet de kortste zodat we zonder opstoppingen in volle vaart langs de kade van de Schelde kunnen doorrijden. Als we Antwerpen uitrijden weet ik uit ervaring dat het echt veel beter is om over de busbaan te rijden dan over het onmogelijk slechte fietspad en dat dat gelukkig maar een paar kilometer duurt. Ik ben bereid om, zoals eerder, de toeterende locals op de koop toe te nemen, maar die laten zich vandaag ineens niet horen.1*BYkeseWB2BwrI9z4G1P7Xg.jpeg
Na Boom steken we weer een rivier over en staat iets verder langs het water, zoals afgesproken, onze volgauto klaar. We zijn iets terughoudender in de hoeveelheid eten die we meenemen, maar laden onze achterzakjes toch weer goed vol. Daarbij ook wat wraps en pasta, want in het normale leven zou het nou eenmaal ook tijd zijn voor een avondmaaltijd. Ik schiet nog even snel mijn kniestukken aan zodat ik klaar ben voor de koelte van de avond en na drie en een halve minuut zitten we weer op de fiets. We zijn net weer op weg als we in Willebroek de weg geblokkeerd zien door een gezellig drukke braderie. We slaan rechts af, Jelle checkt zijn telefoon voor de kortste omweg en binnen no time zitten we weer op de geplande route.
Inmiddels doemen er donkere wolken voor ons op. De regen begint met wat grote druppels, maar al snel gaat het helemaal los en zijn we binnen enkele seconden volledig doorweekt. Iets later rijden we door plassen van minstens twintig centimeter diep. Ik vraag me kort af of we niet wat vaart moeten minderen. We hebben immers geen idee wat voor verassingen het, nu onzichtbare, Belgische wegdek voor ons in petto heeft. Lang heb ik niet om daar bij stil te staan want Jelle gaat in volle vaart door.
Vlak na Londerzeel is de weg zo smal en regent het zo hard dat we toch even gas terug moeten nemen. Aan het eind van dit fietspad slaan we links af en dan, als we ook voor mij onbekend terrein betreden, wordt de regen langzaam minder. We slingeren verder door het Belgische land en dankzij het doorbrekende zonnetje en de steeds wat pittiger wordende heuveltjes drogen we snel weer op.
Vijftien kilometer voor elke stop heb ik op mijn telefoon een locatie-herinnering toegevoegd. Dan laten we onze dames met een sms weten dat we er aankomen. Rond die tijd voel ik me ook een beetje misselijk en heb het idee dat ik waarschijnlijk ook te weinig eet. De twee happen van de wrap smaakte heerlijk maar blijken toch wat zwaar op de maag te vallen. Ik stel het eten even uit en vraag Jelle naar ideeën voor wat ik straks het beste mee kan nemen.
Bij de auto staan Laura en Rieneke ons enigszins zenuwachtig op te wachten. Het hotel waar we deze stop gepland hebben blijkt een verzorgingstehuis en al een half uur lang worden ze regelmatig verzocht zo snel mogelijk te vertrekken. Wanneer we, weer wat kieskeuriger, ons eten staan uit te zoeken staan enkele geestelijk gehandicapte patiënten ons nieuwsgierig te observeren. We worden door een begeleider nogmaals vriendelijk doch dringend verzocht een beetje haast te maken. Een suggestie waar we ons op dat moment overigens geheel in kunnen vinden. Als ik hem toe roep dat we over vijf minuten weg zijn kijkt Jelle mij vragend aan. Ik stel hem gerust dat dat met een veilige marge is en na totaal zes en een halve minuut zitten we weer op de fiets.
Snel daarna zitten we in de straten van Mons. Die hebben we via Street View verkend, dus ook hier zigzaggen we vlot doorheen. Een half uur later passeren we de kasseienstrook op de grens met Frankrijk en staat onze volgauto te wachten om vanaf nu achter ons aan te rijden.
We zijn nu ruim over de helft, tijd om de balans op te maken. We voelen de kilometers wel zitten, maar met de echte pijntjes valt het nog wel mee. Ik besluit terug te gaan naar het gevoel in de benen en niet meer zo op mijn hartslag te letten. Nu de wind wat wegvalt lukt het me ook beter om echt minder inspanning te leveren als ik bij Jelle in het wiel zit. Al de hele rit rijden we steeds ongeveer 10 minuten op kop. Tot nu toe vertrouwde ik voor die timing vooral op Jelle, maar hier op de lange rechte wegen komt dat ritme er echt lekker in.
Na 10 uur op de fiets hebben we 312 kilometer gereden. Voor ons allebei inmiddels onze langste fietstocht ooit. 312 gedeeld door 10 is zelfs nu nog een eenvoudig sommetje en ik realiseer me dat we met dit gemiddelde nog op schema met het record rijden. Daarna denk ik direct aan hoeveel mogelijkheden er nog zijn om ergens in te storten. Om vervolgens tot een paar uur na de finish niet echt meer met dat record bezig te zijn.1*Yjph8p7RgC8ZTrb5FU3EdA.jpeg
Langzaam gaat de dag over in de nacht. Af en toe worden de rechte stukken onderbroken door een stukje zigzaggen door een dorp of stad. Daar kan de auto ons door de vele rotondes en verkeerslichten niet bijhouden. Dus als we na de laatste lantarenpaal het donker in rijden en het licht van de auto moeten missen zijn we erg blij met onze goede verlichting.
Het eten gaat nog steeds niet echt soepel. Elke keer als ik van kop kom neem ik een paar kleine hapjes van de makkelijkste snacks die ik in mijn achterzakje kan vinden: pannenkoek, suikerbrood, gelletje of zelfgemaakte rijstcake. Ook neem ik wat vaker een slok uit mijn bidon met malto. We hebben voorgenomen ongeveer elke 80 kilometer te stoppen om snel eten en drinken aan te vullen en bijvoorbeeld kleding te wisselen of voor een sanitaire stop. De benen kunnen het nog goed aan, maar voor mijn water heb ik nu wel het laatste beetje uit Jelle zijn bidon nodig om dat te halen.
Onze eerste nachtelijke stop, enkele kilometers voor Saint-Quentin, duurt zeven minuten. Als we weer op de fiets zitten merk ik dat mijn net aangetrokken beenstuk ondersteboven zit. Onhandig prop ik de flapperende bovenkant in mijn sok. We gaan niet voor de schoonheidsprijs en ik vermoed dat de aerodynamica zo ook wel oké is, dus voor nu zit die wel goed.
Twee en een half uur later stoppen we bij een benzinestation in Compiègne. Ik stop één voor één alles wat ik krijg aangereikt in mijn mond en probeer of ik het kan wegkrijgen. Wat lukt gaat in mijn achterzak, de rest geef ik terug aan Laura. Met extra malto in onze bidons stappen we acht minuten later weer op.
Het enige klimmetje op de route, vanuit Verberie gaat het zowaar met twee ruime haarspeldbochten omhoog, valt ons erg mee. We rijden rustig omhoog en beginnen boven aan het laatste stuk naar Parijs: nog maar twee uur te gaan.
De omgeving wordt steeds stedelijker en de weg breder. We hebben ervoor gekozen de kortste en drukste route te nemen, maar zo diep in de nacht is er nog weinig ander verkeer te bekennen. In de voorsteden van Parijs worden we wat vaker ingehaald, zijn meer verkeerslichten en staat hier een daar een auto raar geparkeerd. Uiteindelijk kan de volgauto ons niet meer bijhouden, maar daar krijg ik op dat moment niets van mee. Gefocust door mijn adrenaline en cafeïne die (voor mij onverwacht) in de gelletjes zat volg ik met overtuiging de lijn op mijn scherm. Geen noodzaak voor twijfel want thuis is dit gedeelte van de route uitgebreid op Street View verkend. Na elk kruispunt checken we even of we nog samen zijn, een enkele keer moeten de een even gas terug nemen om de ander weer te laten aansluiten.
We steken de Seine over via Pont de la Concorde waarna de laatste honderden meters langer duren dan ik mij had voorgesteld bij de digitale verkenningen. Zenuwachtig speuren we om ons heen naar de glanzend gouden koepel van Hôtel des Invalides. Op het plein twijfel ik even of we goed zitten, maar dan wijst Jelle mij op het donkere silhouet van het op alle foto’s altijd zo mooi uitgelichte iconische gebouw. We zijn er! Niemand te bekennen. We bellen naar de auto en krijgen het telefoonnummer van de organisatie op de camping. Van een verbaasde stem aan de telefoon horen we dat we het eerste team in Parijs zijn: gewonnen! Na twintig minuten arriveert onze auto en even later zitten we ingepakt in alle kleren en dekens die we hebben met zijn vieren aan de champagne.1*2Q0W4KOVgnOoXUlEUT3GKQ.jpeg
In mijn hoofd is op dat moment het record halen nog steeds onmogelijk. Ik weet dat het iets met kwart voor is, maar ga er zonder twijfel vanuit dat dat dan zeker een uur eerder moet zijn. Pas uren later, na een dutje op de camping, hoor ik daar van iemand dat er wat onduidelijkheid is over onze eindtijd en we dicht bij het record zijn gefinisht, het gaat om minuten. Na uitgebreid onderzoek en overleg van de organisatie wordt, mede dankzij Strava, onze eindtijd vastgesteld op 15 uur en 43 minuten. We hebben het record op de minuut geëvenaard!
Met dank aan onze fantastische volgdames voor de ondersteuning en de film, alle AmPa voorgangers voor de inside informatie en routes op Strava en de organisatie voor een heerlijk verblijf in Parijs.

Brekken en angoan op de TrekkerTrek (Lennaart en Reinier)

Lennaart: De meeste fietsers kennen het moment dat je de eerste keer een wielerbroek aandoet. Het voelt alsof je een gevulde luier tussen je benen hebt. Daarna wen je aan het gevoel. Totdat je een wielerbroek met een zeem vol chamoise-crème aantrekt. Dat gevoel komt terug, maar dan koud, nat en glibberig. Maar ja, je moet wat als je van plan bent om zo’n 20 uur non-stop op de fiets te zitten. Normaal is mijn zitvlak al niet zo blij na 4 uur, en dan gaan zo’n 15 van die 20 uur ook nog eens over Belgische en Franse wegen. Laat staan als je van plan bent om enkel voor het urineren van de fiets af te komen.

Reinier: Met onze voorbereiding is het doel om binnen de 20 uur naar Parijs te fietsen. En in mijn achterhoofd bedenk ik me dat ik ook geen teams op de inschrijflijst gezien heb waar we absoluut niet van zouden kunnen winnen. We hebben er beslist geluk voor nodig, maar wie weet...

Lennaart: Reinier en ik (team ‘Brekken en angoan op de Trekkertrek’) staan op de eerste rij in het startvak. Dat krijg je als je altijd braaf op tijd klaar staat als de organisatie het vraagt. Voordeel is wel dat ik in ieder geval de snelste ben op de eerste 100 meter. Nu die andere 499,9 nog. Het doel is in mijn geval echter niet winnen, maar aankomen met een tijd zo rond de 20 uur. Langs het Amsterdam-Rijnkanaal merk ik dat we al in het activiteitengebied komen waar Reinier beter in is. Met Jelle en Tjeerd (‘De Utrechtse Elsjes’) vlak achter ons trekt hij het gas open. ‘Rustig in D1 naar Parijs’ is in zijn hoofd schijnbaar 38 km/u rijden met de wind van opzij. Dit wordt feest denk ik bij mezelf. Met een hartslag rond de 150 nestel ik me in zijn wiel, mijn ‘thuis’ voor de rest van de dag en de opvolgende nacht.

Reinier: Als het startschot valt, pakken we snel de kop waarvoor nog even twee Skits-meiden voorbijgestoken moeten worden bij het oprijden van de Ringdijk van de Watergraafsmeer. Daarna gaat het langs het Amsterdam - Rijnkanaal, waar mijn Amsterdamse local knowledge ons vlekkeloos langs een bouwplaats leidt waar andere teams al over een vangrail moeten klauteren.

Lennaart: In de auto naar Amsterdam heb ik van tevoren de weersvoorspellingen voor de grote plaatsen langs de route systematisch van noord naar zuid bekeken. Een regenkans van 50% met een neerslaghoeveelheid van 0 tot 1 mm in de middag en een verder droge avond en nacht doen mij besluiten geen overschoenen aan te trekken en geen regenjas in mijn achterzak te steken. Die ruimte kan ik goed gebruiken voor eten. Mijn ervaring als volger, het betoog van Reinier en de adviezen van anderen zeggen dat ik vooral niet te weinig moet eten. Een hongerklop is dodelijk. In de eerste 100 kilometer prop ik per uur een krentenbol en een snelle Jelle naar binnen, die ik wegspoel met driekwart liter Isostar.
Ondertussen rijden we Haarzuilens voorbij. Mijn gedachten zijn gefocust op het eerste ‘waypoint’ op mijn bovenbuissticker, de pont bij Ameide. Ik hoop op een goede aansluiting zodat we onze goede start niet inleveren omdat de pont net weg is. Bij Ameide zijn we het eerste team dat bij de pont arriveert. Zodra we van de dijk afdalen richting veerstoep maakt een hoop geschreeuw van de volgers duidelijk dat de pont aan onze kant ligt en begonnen is met het vertrek naar de andere zijde. De veerman, waarschijnlijk bekend met het fenomeen ‘Ampa’ en de route die toevalligerwijs vaak via zijn pont loopt, keert speciaal voor ons terug naar de kant en neemt ons aan boord. Een betere aansluiting is bijna niet denkbaar. Pont af, dijk op, Ameide door en nu naar het volgende punt: de Waal over bij Gorinchem.
Ergens tussen Ameide en Gorinchem wordt de lucht grijzer en begint het te druppen. Dat zal die ene millimeter neerslag zijn denk ik bij mezelf. Steeds meer druppels. “Zolang het wegdek niet nat is maakt het niet zo veel uit”, gaat het in mijn hoofd. “Godver, nog meer regen, nat wegdek, waarom heb ik die regenjas niet in mijn zak gedaan. Oh ja, eten”. En ik prop nog maar een krentenbol naar binnen. Bij onze volgende rendez-vous met de volgers neem ik mijn regenjas aan en ik vind het allemaal wel prima zo.

Reinier: We hebben besloten Breda en Antwerpen aan de oostkant te passeren. Dat is een ongebruikelijke route: alle andere teams fietsen dwars door de steden heen. Na een verkenningstocht dit voorjaar leken de vele stoplichten in de steden en de verschrikkelijke vierbaansweg ten zuiden van Antwerpen mij een goede reden om ietsje om te rijden. Dat “ietsje” werd bijna tien kilometer en we begrijpen dat we er tijd mee gaan verliezen, maar hopelijk zorgt de rustiger route ervoor dat wij een ontspannen stemming houden en dat het winkelend publiek in Antwerpen twee racende maniakken bespaard blijven.

Lennaart: Onze omtrekking rond Breda en Antwerpen bevalt me goed, ondanks de extra kilometers. Het wordt droog en ik lever mijn regenjas weer in bij onze volgers die de buienradar nauwlettend in de gaten houden, leve de buitenlandbundel. We kachelen lekker door en rijden een aardig stuk over een rustige weg met goed asfalt langs een kanaal. Ik begin wat om me heen te kijken, best mooi hier. Het valt me ook op dat de luchten in het Zuidwesten wel erg donker worden terwijl het nog lang geen avond is. Ik hoop wederom dat het meevalt. Helaas. Totaal doorweekt wens ik dat de douche op de camping in Parijs net zo’n volle straal heeft.

Reinier: Als het eenmaal weer droog is, wacht het volgende incident. Ondanks uren route-voorbereiding blijk ik een halve kilometer kasseien over het hoofd te hebben gezien. Lennaart blijkt een natuurtalent: onverzettelijk stoempt hij over het midden van de weg. Desondanks steekt hij een hele klaagzang af, die intenser wordt als er ook nog een grote 4WD voor onze neus gaat stilstaan omdat hij met z'n dure bak niet de natte berm in wil, en het modderhappen aan het tegemoetkomende gezinsautootje overlaat.
Inmiddels hebben we de volgauto al op twee afgesproken plekken gemist. Door de nattigheid is het ook niet makkelijk de volgers vanaf de fiets te bellen. Als er eenmaal contact is, wordt het zo'n mooie schreeuwconversatie in de rijwind. “File! We rijden jullie tegemoet! We zien jullie!” “Tot zo!”.
We zien de volgauto weer in Asse, een bekende plaatsnaam voor Amsterdam-Parijs-veteranen. In dit Vlaamse stadje ga je over van slingerende Vlaamse landweggetjes op een reeks oude Romeinse heerwegen, die als een streep naar de horizon schieten over de glooiingen. Glooiingen ja, want vanaf hier is het met de Nederlandse platheid ook voorbij. Op een van de heuvels worden we ingehaald door twee mannen van Mercurius, de studentenwielervereniging uit Nijmegen. De heren hebben er een straf tempo op liggen en tonen machtige kuiten door staand omhoog te fietsen, maar een paar kilometer verder passeren we ze weer als ze stilstaan naast hun volgauto.


Lennaart: Onderweg richting Asse breekt de zon door. Ik droog op en merk dat ik eigenlijk best fris ben. Inmiddels is het ook officieel mijn langste fietsrit ooit. Mijn oude ‘record’ stond op 186 kilometer, gereden op mijn dertiende met mijn vader: in één dag van Eperheide naar Didam op een fiets vol bepakking. Terwijl we door Asse fietsen zie ik een Volvo met Nederlands kenteken en een fietsendrager in de berm staan, dat moeten volgers zijn. Voorbij de auto ontwaar ik Laura en Geerte, de volgers van team Schijfrem, die met een campingbrander een pastamaal klaarmaken voor Lazlo en Martijn. Na een ‘hey’ van mijn kant kijkt Geerte verbaasd op en ik hoor in het voorbijgaan een welgemeend ‘What the fuck’. Dat is vast een teken dat we aardig voorliggen op schema.
Vanaf nu ligt de focus op Mons en de Franse grens. Ik zeg tegen Reinier dat we wel eens in het licht Frankrijk binnen kunnen rijden, hij mompelt twijfelend dat het best eens zou kunnen. Ondertussen voel ik me minder goed. Ik krijg pijn in mijn onderbuik en moet zeiken als een brabo tijdens carnaval. Ergens buiten Asse heb ik zo’n 5 van de in totaal slechts 21 minuten die we hebben stilgestaan besteed aan het bewateren van een braakliggende akker vol onkruid. Helaas, het mag niet baten. De buikkrampen worden erger en ik kan na een slok sportdrank niet eens meer in mijn ligstuur liggen. Na wat hardop denken met Reinier vermoed ik dat mijn hartslag de afgelopen 250 kilometer te hoog is geweest om de berg voedsel te verteren die ik uit angst voor een hongerklop naar binnen heb gewerkt. Ik besluit een uur niks naar binnen te werken, uitgezonderd kleine slokjes water. Ook matigen we het tempo zodat mijn vertering op gang kan komen.

Reinier: De volgauto heeft ons weer een zak eten en sportdrank aangegeven, maar inmiddels zijn we hem weer kwijt. “Snackbar!” schreeuwt de andere kant van de lijn deze keer. Lennaart heeft nu juist even geen zin in eten. Dat dwingt ons het tempo iets te laten zakken, want als je je spijsvertering nu al overhoop helpt, ga je heus niet eerder in Parijs zijn.

Lennaart: Langzaamaan herstelt mijn maagdarmstelsel zich terwijl we Mons naderen. Inmiddels kan ik naast water ook weer sabbelen op winegums, waardoor ik ook weer koolhydraten binnenkrijg. Ik besluit met niet meer aan brood of pannenkoeken te wagen en hou het tot Parijs op sportrepen. De wederopstanding van mijn maagdarmstelsel heeft wel tot gevolg dat ik Parijs niet emissievrij haal. Het luidruchtige geratel zorgt voor een enigszins opgelaten stemming en zo rijden we vrij vlot op Mons af.
Twee jaar geleden reed ik hier als volger in de schemering achter Hetty en Henk (team Hofstede). Na het uitvallen van alle navigatieapparatuur loodste ik hen in het pikkedonker met een honderdduizendstratenboek door het centrum van Mons en verder Frankrijk door. Het idee om nog voor de schemering langs Bavay (de toenmalige slaapplaats) te rijden deed mijn moraal goed. Fietsend door Mons herkende ik de afslag bij Frameries en de grote weg naar Bavay, inclusief het troosteloze industrieterrein waar destijds werd gekozen om toch maar een tent op te zetten. Toen in het pikkedonker en de stromende regen, nu in de warme gloed van de Franse avondzon.

Reinier:  Nu staat er zo'n 270 kilometer op de teller, zakt de zon, en is de Franse grens minder dan een half uur weg. Bij mij daalt het gevoel in dat we met iets bijzonders bezig zijn. De zon schijnt nog steeds als we Bavay passeren, het eerste stadje in Frankrijk. Dat is een opsteker, want ik had het van tevoren echt niet verwacht. Wat ruiken die graanvelden ook lekker! Ik voel me weer net zo zenuwachtig aan het begin: als de nacht valt en de gereden afstand boven de 300 km komt, kom ik op onbekend terrein en begint Amsterdam-Parijs echt.

Lennaart: Ook de lange weg van Bavay naar Compiègne viel me mee. De windmolens aan de horizon, vaak aangehaald als rode lampjes die maar niet dichterbij lijken te komen, passeren we vrij vlot. Een ruime 300 kilometer staat er op de klok. Dit gaat lekker. Een snelle rekensom leert dat we met een gemiddelde van 25km/u rond zevenen in Parijs zijn. Ik neem me verder voor niet te veel met de tijd bezig te zijn en gewoon te blijven trappen. Ondertussen denk ik na over een titel voor Strava.

Reinier: Als het eenmaal donker is, voelt dat inderdaad als een ander ritme. De kaarsrechte weg passeert af en toe een dorp, met vluchtheuvels en kruisingen bij het licht van straatlampen, om daarna weer in de zwarte stilte op te lossen. We rijden in de lichtbundels van de auto en twee grote fietslampen, dus je ziet de weg voor je en daarnaast twee zwarte zijwanden. Als we linksaf moeten naar Saint-Quentin, zien we wel de witte wegwijzer oplichten, maar niet de afslag zelf. Eerst afremmen en voorzichtig naar links sturen, en dan pas zie je in het licht van de fietslamp waar de zijweg zit.

Lennaart: Ik kijk op mijn Garmin, 327 kilometer. Shit, ik had gedacht wel op de 350 te zitten. Zo snel als het van 200km naar 300km ging, zo langzaam gaat het richting de 400. Ik ben nog goed wakker, maar merk wel dat het in het donker eentoniger wordt en de kilometers trager voorbij gaan. Het stellen van tussendoelen wordt ook lastiger in het donker. Ik geef mezelf een nieuw doel: op 400 kilometer mag ik mijn 14-daagse cafeïneloosheid beëindigen met cafeïnegel. Het vooruitzicht van een goede dosis cafeïne doet me goed, 370km, 380km. Bijna.
Het cafeïnevasten blijkt niet voor niks. Vrijwel meteen voel ik me helderder en opgewekter. Ik vraag de volledige voorraad met cafeïnehoudende sportrepen op bij onze volgers en prop ze onder de rand van mijn broek. Mijn normaliter zo zorgvuldig ingedeelde achterzakken zitten vol met weet ik veel wat voor eten en uit angst om straks 5 minuten te moeten graaien lijkt dit me een prima oplossing.

Reinier: We gaan inmiddels richting kilometer 400, ook voor mij een dik record. Ik krijg wat kleine pijntjes in mijn lijf. Niet in mijn benen zoals je misschien zou verwachten, maar eerder in mijn schouders en romp, in de spieren die mijn lichaam op z'n plek houden op de fiets. Lennaarts eetproblemen zijn gelukkig wel weer voorbij gegaan, dus hoewel we niet meer zo hard gaan aan het begin, rijden we kop-over-kop door met nog steeds een goed gevoel over de onderneming.
Het helpt beslist dat we stickers voor op bovenbuis en ligstuur hebben gemaakt met de afstanden tot verschillende punten. We trappen urenlang door over donkere landwegen, af en toe onderbroken door stadjes waar je bij het gele licht van de straatverlichting over lege rotondes en langs zinloos rode stoplichten schiet. Door de stickers heb je steeds een volgend richtpunt, en voelen de stadjes niet als inwisselbare onderdelen van het saaie Noord-Frankrijk maar als mijlpalen op weg naar Parijs.


Lennaart: Parijs komt nu ook snel dichterbij. Het is minder dan 100 kilometer. Een belangrijke psychologische grens. Ik vergelijk de nog te rijden afstand met bekende rondjes die ik thuis ook rijd. Nu nog maar een rondje zwartekousenland, de rit naar mijn ouders in het oosten, een rondje Loosdrecht. Aan de andere kant is het nu 2 uur ’s nachts. Ik zit nog zeker zo’n vier uur op de fiets. Ik vraag me af of de komende kilometers te vergelijken zijn met een goede stapavond. De klimmetjes in dit laatste deel vergelijk ik met de leuke nummers die langskomen, even stevig dansen en daarna weer rustig doortrappen. Ik sterk me met de gedachte dat het dansen op de pedalen er ondanks de afgelegde kilometer beter uit moet zien dan mijn dansmoves.

Reinier: In Verberie, op 433 km van Amsterdam, wacht de grootste klim van de route, een stijging van 82 meter. Hij valt echter mee. Lennaart en ik klimmen even snel, dat komt mooi uit. Senlis, op 451 km, is een typisch Frans stadje met gepleisterde, tegen elkaar aan gebouwde huizen met luiken. In mijn routevoorbereiding zag ik het als het begin van de finale. Vanaf hier kun je gaan kiezen hoe je Parijs in wilt rijden. Via de D1017, de kortste weg maar druk en niet goed geschikt voor fietsers? Via de D1016, beter maar een stukje om? Of de D1017 tot Fosses en dan over kleinere landweggetjes de banlieue in naar Saint-Denis?
Wij doen het laatste. Bij het plaatsje Fosses (nog maar 35 km nu!) slaan we rechtsaf de D1017 af. In het dorp krijgen we nog twee hellingen voor de kiezen. Onze granny gear (39x21 voor Len, 42x23 voor mij) is nog maar net klein genoeg. Maar goed, we hoeven onze knieën in deze slotfase niet meer te sparen. Ik ben wel benieuwd hoe makkelijk je hier fris omhoog zou fietsen. Lennaart kijkt eens op zijn telefoon en concludeert dat we, als we doortrappen, binnen 18 uur kunnen finishen.


Lennaart: De auto verlaat ons op zo’n 50 kilometer voor Parijs. We worden voorzien van verse bidons en pakken nog wat gelletjes aan. De finale begint nu, er hoeft niet gesprint te worden maar toch ben ik nerveus. Het volgende ‘waypoint’ is een Parijse voorstad. Vanaf daar niets dan stad. Richting de voorsteden rijden we op een donkere grote weg. Ondanks onze achterlichten voel ik me niet heel veilig zonder auto achter ons. Op zondagmorgen om half vier zullen niet alle Fransen even nuchter achter het stuur zitten. Zodra we van de weg af gaan vangen we de eerste glimp van Parijs op. Ik spot geen Eiffeltoren, maar het einddoel is in zicht. Ik gooi mijn laatste cafeïnegel naar binnen, schakel op en pak de kop. Als we een beetje doortrappen zijn we voor zes uur binnen.

Reinier: Gauw daarna zien we links van ons Parijs als een zee van lichtjes in het dal van de Seine. De Eiffeltoren is helaas nog niet te onderscheiden, maar het gevoel wordt steeds sterker: we zijn er bijna! Bij wat oninspirerende flats in voorstad Villiers-le-Bel passeren we de laatste stukjes boerenland. Vanaf nu wordt het laveren door het chaotische Parijse stadsverkeer. Gelukkig is het net zo'n beetje licht geworden.
Parijs is tegen zessen op zondagochtend levendiger dan ik zou verwachten. Vuilophalers zijn in de weer, er zijn mensen op weg naar hun werk en het autoverkeer is rustig maar niet uitgestorven. De Garmin leidt ons veilig over vierbaanswegen en tegen de richting in door de centra van oude voorstadjes. Bij Saint-Denis moeten we ook onze eigen creativiteit even aanwenden en een stukje over een trambaan rijden. De mensen die bij de halte staan te wachten zijn te slaperig om ons verbaasd na te kijken.


Lennaart: De banlieus doen me denken aan het lommerrijke Overvecht. De stad ontwaakt en wij banen ons een weg door een mix van dronken stappers op weg naar huis en slaperige Parijzenaars op weg naar hun werk. Ik vraag me af waarom er zoveel Parijzenaars op zondagmorgen om half zes al onderweg zijn. Gelukkig is het rustig genoeg om alle rode lichten te negeren en dwars door voetgangersgebieden en over afgezette kruisingen richting ons eindpunt te koersen: het Hotel des Invalides. Een toepasselijk eindpunt voor een race als AmPa, al merk ik op de fiets nog weinig van het invalidiserende effect van 18 uur aan één stuk fietsen. Na het oversteken van de Champs-Élysées komt de gouden koepel in zicht. Ik schakel op en ga voor een laatste keer staan. Ik gooi mijn fiets in het zand en kan eindelijk mijn geblesseerde derrière van het zadel verlossen. Dan dringt het besef door: we zijn er!

Reinier: Als we onder de Périphérique door gaan en een plaatsnaambord “Paris” passeren, begin ik echt te genieten. Ook als we ons links-rechts-links tussen de bebouwingsblokken van het echte Parijs door wurmen, blijven we goed rijden. Alleen bij de Champs-Élysées moeten we even wachten voor het stoplicht. Als we daar voorbij zijn, doemt de gouden koepel op van het Hôtel des Invalides. We zijn er! Onze volgers staan ons al op te wachten en schreeuwen naar ons dat de finish aan de andere kant van het gebouw is. Lennaart trekt er een eindsprint heen, ik kijk in zijn wiel uit dat we geen ongelukken veroorzaken nu we over een drie banen brede eenrichtingsweg spookrijden. Nog één keer draaien we linksom de stoep op, en dan kunnen we eindelijk stoppen. 17 uur en 54 minuten is onze tijd.
Hebben we nou misschien nog gewonnen? Helaas. Tjeerd en Jelle hebben de rest van het veld verpletterd en waren al om kwart voor vier in Parijs. Wij zijn nu, dik twee uur later, het tweede team. Kort na ons komt Mercurius binnen als nummer drie.


Lennaart: In de auto onderweg naar de camping maak ik mijn enige foto tijdens deze epische onderneming. De Arc de Triomphe in het ochtendverkeer, waarschijnlijk uit angst om straks niet te beseffen dat ik echt in Parijs ben geëindigd.
Na krap drie uur slaap wordt ik wakker. De zon brand op de tent en ik voel mijn knieën en nek. Bij aankomst leek er weinig aan de hand, maar nu merk ik dat mijn lichaam dit niet op prijs stelt. De angst voor de terugkeer van een oude knieblessure blijkt de volgende dag gelukkig ongegrond, maar in de dagen er na wisselt de pijn in mijn knieën het stokje met mijn achillespees en nek. Dit nooit meer. Maar wat is het vet om dit te kunnen afstrepen.

Reinier: Daarna gaan we naar de camping (in de lekker warme volgauto), en na een paar uur bijslapen kunnen we napraten. Dan gaat het vooral over de minder fortuinlijke teams: één team krijgt met maarliefst twee knieblessures te kampen, zodat beide volgers ook een stukje op de fiets doen en ze dus met vier fietsers toch nog Parijs halen. Een ander team had niet door dat de finish aan de achterkant van het Hôtel des Invalides is, en zit doodleuk een uur aan de voorkant te chillen voor ze gevonden worden. Weer een ander rijdt driehonderd kilometer solo na het uitvallen van zijn maat.
Maandag rij ik weer naar huis, en net als ik ga slapen word ik koortsig en gaat mijn spijsverteringskanaal in de doorspoelstand. Ik lig rillend in bed, probeer af en toe wat te lezen en val soms in slaap. Kloklezen verleer ik acuut, als ik wakker word zie ik mijn wekker 01:30 aangeven terwijl ik toch zou zweren dat ik eerder al 03:30 zag. Als ik mijn ogen dichtdoe beleef ik de AmPa-nacht opnieuw, en spring ik van de fiets voor een plaspauze of spreken de volgers mij vanuit de auto moed in. Als het eindelijk ochtend is, meld ik me voor het eerst ziek bij mijn huidige werk en slaap ik nog eens door tot drie uur 's middags. En pas nu, een krappe week later, voel ik me weer helemaal uitgerust

Sponsoren

Uzuma
Jaap Eden
SVU
36
Cor Mantel 2wielers
Hyro Sports
USC

Realisatie: verenigingenweb